Een bult en een spoor

Een week geleden heb ik mijn hoofd gestoten. Ik was het helemaal vergeten tot ik gisteren mijn hoofd wilde scheren en de kleine pijnlijke bult mij herinnerde aan het voorval. Ik was een doos op zolder gaan zetten. Een lage dakbalk stond in de weg, en ik botste er tegen met mijn hoofd. Op dezelfde plek heb ik al tientallen keren mijn hoofd gestoten. Telkens als ik in de tempel terug ben, stoot ik mijn hoofd op precies dezelfde plek.  Terwijl ik de pijn verbijt, komt er een glimlach op mijn gelaat omwille van zoveel dommigheid. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen, maar blijkbaar slaag ik er wel in om telkens opnieuw mijn hoofd te stoten op dezelfde plek.

Mochten wij mensen in staat zijn om direct en onvoorwaardelijk van onze fouten te leren, dan waren de meeste wereld-problemen opgelost. Dat blijkt dus jammer genoeg niet het geval. De geschiedenis herhaalt zich, en we stoten ons hoofd telkens tegen dezelfde steen. Dat weten we nu intussen wel. De geschiedenis van onze fouten ligt klaar en duidelijk voor ons. Toch zien we het niet, of het ontbreekt ons aan kracht om een ander spoor in te slaan.

Wij mensen hebben allerlei sporen getraceerd in de werkelijkheid. Sommige zijn nuttig en mooi, andere minder. Maar een spoor blijft een spoor, en als een kar op hetzelfde traject blijft dan slijt het spoor steeds dieper uit, en wordt het steeds moeilijker om er met het wiel er uit te geraken. We zijn zelf de makers van onze sporen, maar sommige zelfgemaakte sporen oefenen een onverbiddelijke kracht op ons uit.

Hoe kunnen we wel uit minder goede sporen geraken? Welke mogelijkheden toont de kar van het boeddhisme ons?

Eerst moeten we de sporen leren zien. Dat betekent dat we naar de weg moeten leren kijken. Naar de weg kijken betekent onze blik afwenden van het doel. De blik naar binnen en naar omlaag richten. Innerlijk en bedachtzaam moeten onze ogen worden. Niet meer uitsluitend gefocust op het vermeende resultaat aan het einde van de weg. De weg wordt het doel.

Dan zien we de sporen die we getrokken hebben en waar onze wielen naar toe getrokken worden. Maar enkel oppervlakkig zien en weten is dus niet genoeg om van spoor te veranderen.

We kunnen dan de wens uiten om van spoor te veranderen en beetje bij beetje onze kar naar links of rechts duwen. Eerst schuren de wielen terug tegen het spoor en schuift de kar terug. Maar na een tijdje wordt het spoor afgevlakt en breder, de randen minder scherp. En na verloop van tijd geraken we wel uit het spoor. Dit is de weg van de alledaagse beoefening, een geleidelijke weg waar doorzettingsvermogen en tijd een belangrijke rol gaan spelen. Het is daarom geen gemakkelijke weg, maar wel een weg die voor iedereen open ligt. Iedereen kan ergens beginnen met het spoor breder te maken.

Deze weg van de geleidelijke beoefening vertoont echter twee valkuilen. Als we er wel in slagen om een uit diep spoor te geraken, dan denken we al vlug dat dit uitsluitend te danken is aan onze inzet en hard werk. Dan worden we zelf de makers van ons geluk. Trots en hoogmoed liggen dan op de loer. Ook misprijzen en onbegrip voor diegenen die wegens gebrek aan wilskracht er blijkbaar niet in slagen een ander spoor te traceren. Zo geraken we dus wel uit één spoor maar graven tegelijkertijd een ander. En als we er zelf ook niet in slagen om verandering te bewerkstelligen, dan denken we al vlug dat het nooit meer gaat lukken, en dat het nu eenmaal ons lot is om in dit spoor te zitten. Het zelfbeeld krijgt een forse knauw, en hoop slaat om in mistroostigheid of depressiviteit.

Er is nog een andere weg. Dat is onze blik van het spoor terug brengen naar de kar zelf. Vaak zijn we door gewoonte zo gevormd dat we zelf al het resultaat op voorhand gaan vastleggen. Als ik hier passeer, dan geraak ik vast en zeker terug in dat spoor terecht, zo is dat nu eenmaal.

Is dat wel zo? Niets ligt onherroepelijk vast. Dat spoor dat daar ligt is misschien helemaal niet zo diep en breed als we ons voorhouden. Wie kent niet het gevoel dat achteraf iets wat ons eerst diepe zorgen baarde heel goed meeviel. In het boeddhisme heeft niets een vaste natuur en de werkelijkheid wordt soepel en beweegt mee met ons bewustzijn. Het is een beetje zoals een kind dat bang naar de tandarts gaat, angstig afwachtend. Maar dan komt de tandarts en die maakt een leuk babbeltje over de vakantie, en zegt plots: zo dat was het, alles in orde. De behandeling is gedaan, geen pijn, ondanks alle negatieve verwachtingen.

Zo kunnen we dus ook gewoon zomaar uit een spoor geraken, door het spoor niet langer meer te zien als onoverkomelijk. Of door het simpelweg te vergeten, en zelfs niet meer te willen uit het spoor te geraken. Deze weg is mooi in zijn absolute eenvoud en paradoxaal karakter. Maar daarom ook moeilijk. Het is de weg van het plotselinge ontwaken door de weg, het spoor en onszelf even volledig uit het oog te verliezen.

Het voorbeeld van de tandarts brengt ons bij een derde weg. Namelijk het aanvaarden dat op eigen houtje van spoor veranderen moeilijker is dan gedacht, en dat we best wat hulp kunnen gebruiken. Een vriendelijk tandarts, een behulpzame vriend, een spirituele leraar of gids. De grenzen van het eigen kunnen erkennen is hier een belangrijke voorwaarde. Of gewoon leren zien dat ons eigen kunnen bij voorbaat verbonden is met het kunnen van alle andere levende wezens. Dat dit geen speciale situatie, maar gewoon de aard der dingen. We leven met zijn allen samen, en van spoor veranderen is dan ook een zaak van iedereen, voor iedereen en door iedereen. Autonomie als illusie, medeleven als ultieme werkelijkheid. Dit is de weg van inzicht en medeleven, van het maanlicht dat even wordt vastgehouden op de vlakke spiegel van een wateroppervlak in volledige rust.

Ik ga met mijn hand nog even over mijn hoofd. Nog een paar dagen en de pijnlijke bult zal verdwenen zijn. Nog even toont ze haar karmische activiteit om dan hopelijk uit te doven. Tot ik volgend jaar mijn hoofd opnieuw stoot, op dezelfde plek wellicht…

Shaku Jinsen
Hermitage onder het Bladerdek