Tijdens de Bloemenofferceremonie (Hanakuyo) die plaatsvond in de Japanse Tuin, werd de volgende tekst voorgelezen.

Elk jaar komen we samen in de herfst om met deze bloemenoffer ceremonie onze dank te betuigen aan de schoonheid van de bloemen en planten, vissen en vogels en alle levende wezens van deze prachtige Japanse tuin. Waarin ligt de schoonheid van een bloem verscholen?

Hier achter mij zie je een Japanse hangrol met een afbeelding van Sakyamuni Buddha. De hangrol is oud en versleten, hier en daar hebben insecten zich te goed gedaan aan het papier en de lijm. De afbeelding is ook wat ongewoon. Meestal wordt de boeddha afgebeeld in volle glorie. Rechtop zittend of staand, een gouden uitstraling, sereen en krachtig, verering waardig.

Tijdens de Shushō’e-ceremonie worden twee lofzangen gereciteerd; de Lofzang op de Diamanten Sfeer en de Lofzang op de Sfeer van de Moederschoot. Tijdens de gebeden worden de namen van de voornaamste boeddha-figuren uit gelijknamige mandala's gereciteerd. Aan het reciteren van de namen van de boeddha-figuren gaat een algemeen gebed vooraf waarin de deugden van inkeer, vreugde en inzet geëvoceerd worden. Deze gebeden en de boeddha-figuren van de twee mandala's zijn het kader waarin het nieuwe jaar wordt ingezet.

De Leer van de Boeddha brengt een uitermate positieve boodschap: alle levende wezens zijn in staat de hoogst mogelijk staat van spiritueel inzicht te bereiken. Er is met andere woorden geen enkel legitieme discriminatie te maken wat betreft spirituele realisatie op grond van nationaliteit, etniciteit, geslacht, leeftijd, enz. Bovendien wordt geleerd dat de mogelijkheid tot de verlichting reeds latent aanwezig is. De gehele spirituele praxis bestaat er dus niet in om iets nieuws te verwerven boven op ons reeds bestaande zelf, maar om datgene wat we reeds zijn te herontdekken en te realiseren in alle aspecten van ons leven.

Twee keer per jaar voeren we de Segaki Kuyo-cermonie uit, de ‘Offerceremonie voor de Hongerige Geesten’. Eén keer in de lente, één keer in de herfst. Telkens in de buurt van de equinox, wanneer dag en nacht even lang zijn. We staan dan in het midden. We hebben vooruitgang gemaakt. We lijken te weten waar we vandaan komen en waar we nu verder naar toe moeten. We begrijpen steeds beter de wereld om ons heen en onszelf. Ons inzicht groeit. Dan gebeurt het. Met groeiend inzicht wordt ook onze horizon ruimer. We zien dingen waarvan we niet wisten dat ze bestonden. Zaken die niets met ‘ons’ te maken hadden, raken ons nu wel.

‘Aranya’ is een Sanskriet woord wat ‘stille plek in het bos’ betekent. In het boeddhisme werd het opzoeken van dergelijke plekken om er verstilling en verdieping te vinden aangemoedigd. Het is zelfs de eerste van de twaalf ‘dhuta', twaalf traditionele richtlijnen voor herbronning voor monniken en nonnen. De term ‘dhuta’ betekent ‘afstoffen’. In dit geval betekent dit het stof van de wereld afschudden en terug de geest verfrissen en de spiegel van het bewustzijn oppoetsen. Het stof van de wereld betekent hier ‘hebzucht’. De twaalf ‘dhuta’ zijn dus twaalf oefeningen om de geest te vrijwaren van overdreven hebzucht.