Butsumyō’e

De Leer van de Boeddha brengt een uitermate positieve boodschap: alle levende wezens zijn in staat de hoogst mogelijk staat van spiritueel inzicht te bereiken. Er is met andere woorden geen enkel legitieme discriminatie te maken wat betreft spirituele realisatie op grond van nationaliteit, etniciteit, geslacht, leeftijd, enz. Bovendien wordt geleerd dat de mogelijkheid tot de verlichting reeds latent aanwezig is. De gehele spirituele praxis bestaat er dus niet in om iets nieuws te verwerven boven op ons reeds bestaande zelf, maar om datgene wat we reeds zijn te herontdekken en te realiseren in alle aspecten van ons leven.

De hoogst mogelijke realisatie bestaat in het inzicht dat alle levende wezens ‘wezenlijk’ met elkaar verbonden zijn. Er is geen enkel levend wezen dat louter en alleen op-zich-zelf bestaat, ‘zelf-standig’ is. Wie dit inzicht realiseert kan niet anders dan te leven vanuit dit inzicht. Het is een leven gegrond en gevoed door verbondenheid. Wie zich wezenlijk verbonden voelt, kan ook niet anders dan zorg dragen voor datgene waarmee men zich verbonden voelt. Men draagt zorg, omdat men beseft dat wat men tot voorheen als de ‘ander’ beschouwde nu gezien wordt als een onlosmakelijk deel van ‘jezelf’. De leer van de boeddha staat of valt met dit inzicht. Je breekt de grenzen van je ‘Zelf' af, niet om het te vernietigen maar om je ‘Zelf´ de kans te geven de grenzen van het kleine egocentrische zelf te overstijgen en uit te groeien tot een groot ‘Zelf’, een ‘Zelf’ dat zich verbonden en gedragen weet door alles wat bestaat. Met een traditionele Sino-Japanse boeddhistische term heet dit “dōtai daihi (同体大悲), een lichaam, groot medeleven.”

Om dit doel te bereiken is oefening nodig. Het positieve uitgangspunt van het boeddhisme dient door oefening gerealiseerd te worden. Alle gedachten en emoties die ons afhouden van deze realisatie worden gezien als ‘blokkeringen’, ‘hindernissen’. Ze worden vaak vergeleken met wolken die voor het licht van de zon of maan schuiven en ons (in-)zicht beperken. In wezen stellen die wolken niet veel voor. Ze zijn niet meer dan waterdamp. Ze bezitten dus geen echte ‘realiteit’ waardoor ze onoverkomelijk zouden zijn. Beseffen dat onze fouten gebaseerd zijn op een foute visie op de werkelijkheid, en daarmee het inzicht verwerven in de juiste visie op de werkelijkheid als wezenlijke verbondenheid, doet de fouten verdwijnen als waren het waterdamp voor de stralen van de zon. In-keer is hier dus wezenlijk verbonden met in-zicht.

Wolken zijn maar waterdamp. Maar een wolk bestaande uit enkel waterdamp kan toch schade berokkenen; een regenwolk die een land onder water zet of een donderwolk die haar bliksemschichten loslaat op de wereld...het is maar waterdamp maar de effecten van die ‘maar waterdamp’ zijn zeer reëel, destructief en schrikwekkend. Soms kunnen de wolken dermate dik en donker worden dat alle licht wordt afgeblokt en we niet eens meer weten dat achter het wolkendek een zon schuilgaat.

Zo is het ook met onze fouten. In wezen zijn ze niet onoverkomelijk; maar als we ze niet in de hand houden kunnen ze wel uitgroeien tot dikke donkerwolken die ons afhouden van het licht van de verbondenheid. Daarom zijn er in het boeddhisme tal van ethische voorschriften. Niet als absolute morele codes op straffe van, maar als mogelijke richtingswijzers naar een leven dat getuigt van een diepere verbondenheid en getemperd egocentrisme.

Daarom is het ook nodig om op geregelde tijdstippen bewust halt te houden en de eigen fouten en tekortkomingen te onderzoeken, om ze te leren zien en herkennen, en ze door dit inzien te laten oplossen. In de Theravada-traditie kwamen de monniken om de twee weken bij elkaar. Iedereen die een fout had begaan tegen de weg van de boeddha verkondigde dit tegenover alle aanwezige monniken. In de Chinese en Japanse Mahayana-traditie werd deze gewoonte verder gezet door om de twee weken de Bonmokyō-sutra te reciteren.

Soms gebeurt het echter dat we onze fouten niet goed kunnen inschatten. Een sterke vorm van trots weerhoudt er ons onbewust van de eigen fouten te erkennen. Of we menen oprecht dat we goed hebben gedaan voor iemand anders, terwijl in de perceptie van die ander onze handelingen als vervelende of overbodig of ronduit negatief worden ervaren.

Het volgen van de ethische voorschriften en het ritueel van een persoonlijke ‘biecht’ kent dus haar grenzen. Een diepere vorm van inkeer kan verkregen worden door verder het inzicht en gevoel van verbondenheid te cultiveren. De fouten worden niet meer opgesomd. De goede voornemens hoeven niet op een lijstje geschreven te worden. In het licht van de honderdduizenden boeddha’s die ons zijn voorgegaan, die ons omringen en die ons in de toekomst zullen bijstaan zeg je klaar en duidelijk: ‘dit ben ik, met alle fouten die ik heb begaan, zichtbaar of onzichtbaar. Ik weet en voel mijn onvolmaakte realisatie van de wezenlijke verbondenheid. Maar ik verlang verder te werken aan deze realisatie en ik verlang om alle inzichten die uit deze realisatie stromen niet voor mezelf te houden maar te delen met iedereen die ze nodig heeft.’

Met dit inzicht en met deze verklaring verdwijnen de negatieve, slechte wolken van egocentrisme en verschijnt het pad van het goede. Met een traditionele term heet dit “metsuzai shōzen (滅罪生善), verdwijnen van fouten, het verschijnen van het goede.”

Tijdens de Butsumyō’e-ceremonie worden de namen van de boeddha’s van verleden, heden en toekomst gereciteerd. De boeddha’s worden een voor een aan-roepen en aan-wezig gesteld. In het licht van hun inzicht plaatsen we ons, in hun aanwezigheid verschijnen we en zeggen we: ‘hier ben ik, nog niet voldoende gerealiseerd in verbondenheid,’ maar ook: ‘hier sta ik, met de waarachtige belofte verder te werken aan de realisatie van verbondenheid.’

Wie met deze intentie de namen van alle boeddha’s aanroept, nederig in hun aanschijn van perfecte realisatie buigt, en verzoekt om hun steun bij de verdere beoefening van het boeddhistische pad, die wordt, om het met de woorden van het slotvers van de Butsumyō’e ceremonie te zeggen, ‘herboren in het zuivere land van de boeddha’s.’

Shaku Jinsen
Hermitage onder het Bladerdek