Wachten op de maan

De morgendauw op de bloemen glinstert in de frêle ochtendzon. Het lijkt alsof iemand achteloos wat parels op het gras heeft gegooid. De schittering verdampt vlug, nauwelijks een spoor nalatend. De wind wandelt door de tuin en verkondigt aan de vallende bladeren een nieuwe cirkel van leven en dood. De tuin trekt een deken over zich heen, en wiegt zichzelf in slaap, alsof hij de komende kilte alvast voor wil zijn.

Binnen deze vergankelijkheid leven wij. Binnen deze tuin van leven en dood verloopt ook ons leven en onze dood. In de aanraking met de natuur worden we ons bewust van onze kleinheid, een vallend blad in de herfstwind. In het gesprek met de tuin worden we ons bewust van ons ingeschakeld zijn, ons leven leeft mee met de tuin, de tuin leeft mee met ons leven.

We kijken naar een bloem, en zien de oneindigheid van ons bewustzijn, evenveel gedachten als er stuifmeelkorrels zijn. Vanuit de aarde, de modder richt zich een stengel op, zoekend naar licht en warmte. Een mooie, zuiver witte lotusbloem opent zich aan het oppervlak van het water. Vanuit de maalstroom van het leven zoeken we verder naar licht en warmte, uitkijkend naar het bloesemen van ons zuiver hart.

Mooi, zuiver, een zacht licht. In de avondschemer verschijnt de maan. Moge onze geest worden zoals de maan. Perfect rond, volledig, zacht, rustig, stralend.

Zachte stemmen uit de tuin. Planten, dieren en mensen zingen samen een avondlied. Moge onze geest gestemd worden met zachtheid en vriendschap.

In de kilte van de nacht schijnt de maan des te feller.

-Herfstavond aan het schijnsel van de maan heb ik genoeg om ook deze donkere bergen door te komen- (Ariwara no Motokata, 9de - 10de eeuw nChr.)

- Herfstavond
aan het schijnsel van de maan
heb ik genoeg
om ook deze donkere bergen
door te komen -
(Ariwara no Motokata, 9de -10de eeuw nChr.)

Shaku Jinsen
Hermitage onder het Bladerdek