Verstilling en Contemplatie Hoofdstuk 1 - Deel 1

GRONDTEKST

Ten eerste, het in orde brengen van de voorwaarden

Wie de intentie opwekt om een aanvang te nemen met de beoefening, en daarmee verstilling en contemplatie in de praktijk wil brengen, moet eerst zorgen dat vijf voorwaarden vervuld zijn.

Ten eerste, het voldoen aan zuiverheid door het volgen van de leefregels.

In een geschrift staat het als volgt:

“Deze leefregels zijn het fundament van waaruit de verschillende meditatieve stadia en het inzicht dat zorgt voor het verdwijnen van lijden, geboren worden. Daarom moet de bhikshu de zuiverheid bewaren door deze leefregels te volgen.”

Er zijn wat dit betreft drie vormen van beoefenaars. Ten eerste is er de beoefenaar, die vooraleer hij een volgeling van de boeddha werd, geen van de vijf onverbiddelijke fouten heeft begaan. Daarna ontmoet hij een goede leraar die hem onderricht, hij legt de gelofte van het drievoudig toevertrouwen af, en volgt de vijf voorschriften, en wordt daarmee een volgeling van de boeddha. Wanneer hij het huis verlaat volgt hij de tien voorschriften van de sramanera. Vervolgens neemt hij alle monastieke leefregels op en wordt hij een bhikshu (in het geval van een vrouw een bhikshuni). Vanaf het moment van het afleggen van de eerste geloftes is hij in staat geweest de zuiverheid en de leefregels te bewaren, en zijn er geen overtredingen geweest. Dit noemen we een beoefenaar van de leefregels van de hoogste orde. Zo iemand zal, wanneer hij zich toelegt op de beoefening van verstilling en contemplatie, met zekerheid het inzicht van een boeddha realiseren. We vergelijken dit met een stuk stof dat nog intact is en daarom makkelijk kan geverfd worden.

De tweede persoon is iemand die nadat hij de geloftes heeft afgelegd misschien geen zware overtredingen heeft begaan, maar wel wat betreft het volgen van de kleinere leefregels heel wat schade heeft veroorzaakt. Als deze persoon toch de meditatie wil beoefenen, zal hij eerst tot inkeer moeten komen op de voorgeschreven manier. Daarna kan hij beschouwd worden als iemand die zuiver is, en zal ook hij in staat zijn meditatieve concentratie en inzicht te verwerven. We vergelijken dit met een stuk stof dat vuil was, maar dat eenmaal gewassen, weer makkelijk kan geverfd worden.

Een derde persoon is iemand die nadat hij de geloftes heeft afgelegd niet in staat is geweest standvastig te zijn, en zowel op de lichtere als zwaardere regels heel wat schade en overtredingen heeft veroorzaakt. Volgens de leerstellingen van het kleine voertuig is het niet meer mogelijk om wat betreft de vier zware overtredingen nog tot inkeer te komen en gezuiverd te worden. Volgens de leerstellingen van het grote voertuig is het echter wel mogelijk om deze nog weg te werken.

Zo staat in een sutra:

“Binnen de leer van de boeddha zijn er twee vormen van gezonde beoefenaars. Zij die geen kwaad hebben begaan, en zij die wel kwaad hebben begaan maar tot inkeer zijn kunnen komen.”

Wie werkelijk tot inkeer wil komen over begane fouten, zal de volgende tien punten moeten opnemen. Deze tien punten helpen om inkeer te realiseren.

Eén, het vertrouwen in oorzaak en gevolg verduidelijken.
Twee, een diep gevoel van angst toelaten.
Drie, een diep gevoel van schaamte en inkeer toelaten.
Vier, actief op zoek gaan naar een methode om de overtredingen weg te nemen. Het gaat over de verschillende oefeningen en methoden die te vinden zijn in de geschriften van het grote voertuig. Deze moeten uitgevoerd worden zoals ze daar beschreven zijn.
Vijf, het uitklaren van vorige overtredingen.
Zes, het doorsnijden van de continuïteit van de overtredingen.
Zeven, de beslissing nemen om de leer te beschermen.
Acht, de grootse gelofte afleggen om alle levende wezens te bevrijden.
Negen, altijd de verschillende boeddha’s in de tien richtingen in gedachten houden.
Tien, de contemplatie uitvoeren waarbij de essentie van de overtredingen beschouwd wordt als ongeboren.

Wie deze tien punten voldoende heeft gerealiseerd, kan een plaats van beoefening inrichten, zichzelf ritueel zuiveren en zuivere kleren aantrekken, wierook branden en bloemblaadjes offeren en in het aanzien van de drie juwelen de oefening zoals voorgeschreven uitvoeren. Dit kan gedurende een periode van één tot drie weken zijn, of van één tot drie maanden. Of men kan ook gedurende jaren met overgave dit proces van inkeer beoefenen, totdat alle zware fouten die men beging, beginnen uit te doven en uiteindelijk stoppen.

Hoe kan men weten wat de kenmerken zijn van deze uitdoving van de begane fouten?

Wanneer men met overgave op de voorgeschreven manier oefent, dan kan het gebeuren dat de beoefenaar de ervaring heeft dat lichaam en geest licht en scherp aanvoelen, of dat men aangename en veelbetekenende dromen ziet. Of het kan gebeuren dat men allerlei geheimzinnige en niet-alledaagse tekens waarneemt. Of men voelt duidelijk dat de goede krachten in het eigen bewustzijn zich openen en manifesteren. Of het komt voor dat tijdens de zittende meditatie het lichaam aanvoelt als een wolk, of doorzichtig wordt. Gebaseerd op deze ervaringen slaagt men er in de verschillende stadia van meditatie te verwerven. Plots en heel sterk begrijpt men dat het eigen bewustzijn verlicht is, en daardoor ontstaan de kenmerken van een heilzaam bewustzijn. Men is in staat om de betekenis en bedoeling van alle geschriften die men hoort te doorgronden. Hierdoor vindt men vreugde in de leer, en het bewustzijn kent geen zorgen of wroeging meer. Al deze verschillende zaken en omstandigheden moeten begrepen worden als tekenen dat de fouten en obstructies op het pad door overtredingen van de leefregels uitgedoofd zijn. Als men vanaf dit punt terug met standvastigheid de leefregels respecteert, dan beschouwen we dit terug als ‘zuiver in de sila.’ Zo iemand kan dan ook terug de meditatie en concentratie beoefenen. Men vergelijkt dit met een stuk stof dat gescheurd en vuil was, maar nu weer hersteld en gewassen is, en opnieuw geverfd kan worden.

Wanneer iemand een zware fout heeft begaan zal het gevoel van angst de meditatieve concentratie hinderen. Het kan gebeuren dat men niet in staat is de methodes van inkeer die beschreven staan in de geschriften te volgen. Toch kan men dan een diep gevoel van schaamte en berouw opwekken,in het aanzien van de drie juwelen de eerder begane fouten tot uitdrukking brengen, en het zich voortzettend bewustzijnspatroon doorsnijden. Men gaat mooi rechtop zitten in meditatie en contempleert de lege natuur van alle overtredingen, waarbij men de boeddha’s in alle tien richtingen in gedachten houdt. Wanneer men uit de meditatie komt kan men met overgave wierook branden en de buigingen maken en aldus tot inkeer komen. Men reciteert dan de code van de leefregels of de geschriften van het grote voertuig. De obstakels op het pad en de zware fouten zullen dan vanuit zichzelf geleidelijk uitdoven. Zo wordt men terug zuiver in de leefregels en kan de meditatieve concentratie zich verder ontwikkelen. Daarom staat er in het Geschrift over de wonderbaarlijke en uitmuntende meditatie:

“Wanneer iemand een zware fout heeft begaan, vervult zijn hart zich met angst. Als hij dit wenst weg te nemen, dan is er geen betere manier om dit te doen dan de meditatieve concentratie. Deze persoon moet naar een open en rustige plaats gaan, zijn bewustzijn concentreren en overgaan tot continue zittende meditatie, en de geschriften van het grote voertuig reciteren. Alle zware fouten zullen zonder uitzondering uitdoven en verdwijnen. De verschillende meditatieve bewustzijnstoestanden zullen zich op een natuurlijke manier manifesteren.”

Toelichtingen bij de Grondtekst door Shaku Jinsen

In het boeddhisme hecht men groot belang aan het volgen van de leefregels. Zhi Yi plaatst ze als eerste in een lijst van vijf basisvoorwaarden voor de beoefening van stilte en contemplatie.

Elke school heeft in de loop van de geschiedenis haar eigen verzameling aan leefregels opgebouwd. De oorsprong wordt vaak teruggebracht tot de tijd van de historische boeddha Shakyamuni Boeddha. Wanneer de prille boeddhistische gemeenschap in aantal en aanzien groeide kwam het vaak tot interne en externe spanningen. Dan trad Shakyamuni Boeddha op als verzoener. In de geest van zijn filosofie stelde hij regels op die de werking van de monniken- en nonnen gemeenschap, en de relatie tot de maatschappij, in goede banen moesten leiden.

Elke school bouwde in de loop van de tijd verder op die basisregels. Wat hun functie betreft, vallen ze uitéén in twee groepen. Er zijn de praktische voorschriften die het dagdagelijkse reilen en zeilen van een monniken- en nonnengemeenschap regelen: dagindeling, voorschriften voor het eten, kledij, maar ook omgangsvormen binnen de monastieke gemeenschap, en regels voor de omgang met de maatschappij. De tweede groep zijn wat we nu ethische voorschriften zouden noemen. Deze laatste kunnen ook gevolgd worden door de lekengemeenschap. Het zijn algemene ethische bakens; bijvoorbeeld afzien van het doden van levende wezens, niet stelen, geen seksueel wangedrag, niet liegen enzovoort.

Deze regels vormen het fundament van de beoefening. Wie de belofte aflegt om de regels te volgen, krijgt een heel duidelijk kader voor de verdere beoefening. Dat zorgt uiteraard voor een grotere gemoedsrust. Je hoeft niet meer bij elke stap te denken: wat zou ik hier doen? Het zorgt ook voor een gevoel van identiteit: vanaf nu oefen je binnen een bepaalde traditie, je wordt deel van een gemeenschap van beoefenaars. In de moderne wereld zijn we sterk gericht op individuele vrijheid. Gemeenschap en traditie kunnen echter ook positief gezien worden als duidelijke kaders die gemoedsrust schenken. Die gemoedsrust wordt gezien als psychologisch fundament voor de meditatie-beoefening.

Zhi Yi schetst kort een ideaal beeld van de beoefenaar. Het is iemand die ook als leek een deugdzaam leven heeft geleid. Er is sprake van vijf onverbiddelijke fouten. Het gaat heel concreet om de volgende vijf overtredingen: het doden van je vader, het doden van je moeder, het doden van een verlichte monnik/non, het verwonden van een Boeddha, het verbreken van de harmonie binnen de monastieke gemeenschap. Wie deze overtredingen heeft gemaakt, heeft verduidelijk een zware breuk veroorzaakt. Tot die is hersteld, wordt men niet toegelaten tot de boeddhistische gemeenschap.

Is dit niet het geval, dan kan men de gelofte van ‘leken-gelovige’ afleggen; die bestaat uit het Drievoudige Toevertrouwen en de Vijf Geloftes. Men vertrouwt zich toe aan de Boeddha, de Gemeenschap en de Leer, en neemt zich voor vijf voorschriften te volgen: niet doden, niet stelen, geen seksueel wangedrag, niet liegen en geen bedwelmende substanties nuttigen. De volgende stap is een ‘novice’ (Skt. shramanera/shramanerika) worden. Dit wordt gezien als een voorbereidende periode op het volledige monniken- en nonnenschap. Je volgt naast de Vijf Leken-geloftes ook volgende vijf geloftes: niet eten na de middag, niet bijwonen van dans, zang en opvoeringen, afzien van sieraden, parfum en make-up, geen gebruik meer maken van een hoge stoel of bed, niet meer omgaan met goud of zilver. Na deze voorbereidende fase kan je benoemd worden tot monnik/non (Skt. bhikshu/bhikshuni) en neem je het volledige corpus op van monastieke leefregels. Het aantal regels stijgt nu sterk, en hier vind je ook wat verschillen tussen de scholen: meestal gaat het om 250-tal regels voor monniken en 348-tal voor nonnen.

Wie er na zijn benoeming in slaagt zuiver in de voorschriften te blijven en zich verder bekwaamt in de meditatie zal, aldus Zhi Yi, de volledige verlichting bereiken, zoals een mooi wit doek dat zonder problemen geverfd kan worden.

Het spreekt voor zich dat deze ideale situatie zelden voorkomt. Vanuit een modern standpunt lijkt het zelfs zo dat boeddhistische meditatie vaak pas op het toneel verschijnt nadat er van alles is fout gelopen. Meditatie als therapeutisch middel tegen een krom getrokken leven. Dit staat in sterk contrast met de initiële boodschap hier dat vooraleer men kan overgaan tot meditatie men eerst door het aannemen van de leefregels de zuiverheid moet cultiveren.

Zhi Yi was echter ook pragmatisch. In zijn beschrijving van de verschillende typen beoefenaars komen ook beoefenaars aan bod die helemaal geen mooi doek zijn. Er zitten gaten en scheuren in, en het doek is vuil. Het laat zich niet meer zo gemakkelijk verven. Maar ook hier is de beoefening nog altijd mogelijk. Het doek kan hersteld en zuiver gemaakt worden. Zhi Yi zelf ontwikkelde voor zijn groeiende geloofsgemeenschap heel concrete manieren om dit te doen, de zogenaamde ‘Rituelen van Inkeer’.

Vaak werden ze gedurende meerdere weken, maanden of zelfs jaren uitgevoerd. De beoefenaar trok zich terug, en richtte zich op een boeddha. Bijzonder is dat deze inkeer een heel persoonlijk, individueel karakter kreeg. Het was een geconcentreerde vorm om lang en heel dicht bij je eigen tekortkomingen te verblijven. De concrete richtlijnen zorgden voor duidelijkheid, de aanwezigheid van een boeddha was een baken van mededogen. De grondbeoefening was vaak heel eenvoudig; in een rituele zuivere context werden buigingen gemaakt, vaak met het uitspreken van een korte gebedsformule van inkeer. Veel psychologisch gegraaf kwam er niet aan te pas. Ook was er geen autoritaire instantie die de oefening overzag. Het einde van de oefening kondigt zich dan ook in de persoonlijke ervaring aan; een gunstig teken of een droom, of een gevoel van lichtheid en klaarte.

Deze vorm van inkeer biedt een aantal interessante perspectieven vergeleken met een moderne aanpak, waarin vaak alles in een dialoog-vorm met een expert verbaal uitgeklaard moet worden. Er is geen dialoog-partner/expert, wel de stilzwijgende, maar medelevende boeddha-figuur. Niemand komt je vertellen wanneer je terug ‘zuiver’ bent, je oefent tot je het zelf ervaart. Er is weinig getob en gegraaf, je maakt buigingen en spreekt voorgeschreven gebedsformules uit, een zeer fysieke vorm dus. In moderne bewoordingen zouden we het een neuro-linguïstische lichaamspraktijk noemen.

Zhi Yi schetst in de tekst verder tien punten die bij de beoefening van inkeer van belang zijn. Deze kunnen als volgt opgedeeld worden. Het grote kader is de boeddhistische filosofie; de wet van oorzaak en gevolg (1) en de leegte als grondcategorie van alles (10). Daarbinnen moet er een gevoel van tekortkoming zijn (2)(3). Ze vormen de emotionele motor om actief op zoek te gaan naar methodes van inkeer (4). Zelfs angst en schaamte kunnen zo worden ingezet in een positief proces van transformatie. Daarna volgt het proces van inkeer zelf, dat tweeledig is. Eerst wordt er ‘uitgeklaard’ en dan ‘doorgesneden’. Ook hier een belangwekkend inzicht; het is niet genoeg om te weten waar de fouten zitten. De fouten moeten ook hun innerlijke kracht ontnomen worden; hun drang naar continuïteit moet worden doorgesneden. Na dit proces wordt de terminologie positief en toekomst gericht. Men spreekt de gelofte uit om het in de toekomst beter te doen en over de eigen fouten heen te kijken, en ook andere levende wezens bij te staan. Bovendien plaatst men zichzelf vanaf nu in het goede gezelschap van alle boeddha’s en de leer van het boeddhisme(7)(8)(9).

Na deze bespreking maakt Zhi Yi plots een interessante bocht. Hij verklaart dat het ook zomaar kan dat de beoefening van de meditatie zelf de fouten kan doen ‘oplossen’. Meditatie betekent immers het raken aan de fundamentele werkelijkheid van de leegte. Dat betekent dat men ook de eigen fouten leert zien als ‘leeg’. Uiteraard betekent dit niet dat de gevolgen van die fouten zomaar verdwijnen. Wel kan dit idee een interessant gegeven zijn om niet langer verlamd te zijn door de zwaarte van het eigen onvolkomen bestaan. Het is zoals met een orkaan. Een orkaan is dreigend en destructief. Maar in wezen bestaat hij uit luchtstromen, uit iets wat nauwelijks ‘vatbaar’ is. Zo kunnen we ook naar de eigen fouten kijken. De fouten worden opaak, doorzichtig, en verliezen hun verstikkende kracht. Hun destructieve effecten verdwijnen echter niet (onmiddellijk). Zichzelf bevrijden van de verstikkende druk van de eigen tekortkomingen kan echter een eerste poort zijn naar verder herstel.

In hetzelfde licht maken we ook de volgende bedenking: inkeer en vergiffenis zijn twee verschillende dingen. Inkeer is een persoonlijke manier om in het reine te komen met de eigen fouten en tekortkomingen. Inkeer is een noodzakelijke eerste stap om tot vergiffenis te komen. Vergiffenis kan zich enkel voltrekken in een grotere dialogische context, waarbij de gevolgen van de eigen fouten ook een vorm in de stem van de ander krijgen.

Shaku Jinsen
Hermitage onder het Bladerdek, 6 maart 2021